Diary of a travelin biker  -  Diario de un motociclista de viaje

Alaska - Vuurland : CANADA

 

http://www.mediring.be/america/canada_bestanden/image002.jpg

 

 

Dag 4 (zondag 13 augustus 2017):

Tok US > Dawson City CA - 300km(885) – 7u

Overnachting in Dawson City Downtown Hotel.

Ik word plots wakker. Het is al licht buiten. Zes uur. Ik heb geslapen als een gletsjer, om het in lokale termen uit te drukken. Ik sta op. Het bed lijkt bijna onbeslapen. Ik heb met moeite 1mm bewogen.

Koffie. Het kost me bijna een uur om alle bagage bij elkaar te rapen en zorgvuldig te schikken zodat alles weer mee kan. Ik heb wel een grote waterdichte plunjezak bij, maar gebruik hem nog niet, en probeer alles in de vaste koffers te krijgen, wat nét lukt.

 

 

Om 7 uur gaan we eten in de cafetaria van het Golden Bear Hotel. Lekker veelgranenbrood. Omeletje. Vriendelijke bediening.

Even over achten rijden we weg richting Canada. Ik heb nog wel voldoende brandstof maar bedenk mij dat ik beter op veilig kan spelen en ga nog even tanken. Zoals verwacht ben ik nu reeds alleen, want alle anderen zijn er snel vandoor, weg van die pechvogel op zijn oude Transalp, en dus weg van elke mogelijke vertraging. Aan het tankstation staan twee nieuwe Africa Twin's. Eén van de baaikers komt naar mij toe en hoort mij uit over de moto en waar ik heen ga. De andere is wat ongeduldig, maar komt dan uiteindelijk ook bij ons staan. Mijn Transalpje is de taaie tante van die Africa Twin's. Zelfs in de VS is een Transalp gekend, hoewel die er einde jaren tachtig slechts gedurende twee jaar verkocht werd. Beide mannen komen uit Oklahoma en rijden naar Dead Horse. Voor hen is Alaska de ultieme (Amerikaanse) reisbestemming.

Ik zet mijn weg verder. Zo’n twintig kilometer verder verlaat ik de hoofdweg en sla linksaf, naar het Noorden. De volgende 100 km lopen doorheen een prachtige desolate bergtoendra met grootse uitzichten over een uitgestrekt dennenwoud. De kleine spitse triestige bomen lijken hier wel dood, maar het groene plukje naalden op hun top bewijst dat ze wel degelijk leven. Heeft hier ooit een brand gewoed? Het is niet moeilijk om mij in te leven in de omstandigheden die hier in de winter moeten heersen. Ondanks de eentonigheid van het landschap verveel ik me geen moment. De eenzaamheid van het moment geeft mij de gelegenheid om mijn gedachten de vrije loop te laten gaan. Ik bedenk dat ik hier wel eens zou willen reizen in de winter, maar dan wel als passagier naast een ervaren chauffeur in een geschikte terreinwagen. Een dergelijke reis, maar dan in een gele schoolbus, maakte ik vijfentwintig jaar terug reeds eens in het Oosten van Canada: ‘le Passeport Blanc’.

 

 

In het minuscule dorpje Chicken ga ik dan nogmaals tanken. Bij het reizen doorheen Canada en Alaska is het altijd veilig om reeds te tanken wanneer de tank nog halfvol is. Tankstations in afgelegen streken zijn wereldwijd vergelijkbaar met elkaar: je kunt er ook wat eten en één en ander kopen. Vaak zijn ze het kloppend hart van een ganse regio. De stille norse eigenaar komt mij bedienen aan de pomp en nodigt mij dan uit voor een gratis koffie. Ik blijf hier in dit gat nog even hangen en bezoek een oud schooltje in het historisch centrum van het 'dorpje'. Het kost mij wel wat moeite om er te geraken, want de wegel is overwoekerd en in slechte staat, en nauwelijks begaanbaar. Het spookdorpje is vervallen maar hééft toch wat. Ik ben er gerust in dat ze dit oude dorpscentrum wel ooit eens zullen restaureren en beter toegankelijk maken. Even verder is ook nog een enorme gouddelverinstallatie, mooi gerestaureerd.

Ineens hoor ik achter mij een traag en luid aanzwellend geklop en gebonk: er passeren twee grote Harleys, een man en een vrouw. Ze rijden doorheen Chicken richting Canada zonder halt te houden.

 

 

Ik zet dan zelf ook mijn weg verder en passeer de traag rijdende Harley's. De weg is vanaf hier onverhard, en ze durven hier niet snel rijden. Ik durf ook niet snel rijden op deze onverharde weg, maar mijn motor leent zich toch gemakkelijker voor zulke wegen dan de zware logge Harley’s. Aangezien ik vaak stop om een fotootje te nemen passeren we elkaar diverse malen. Op een bepaald moment stoppen we allen op de zelfde plaats en slaan een praatje. Ze komen uit Minnesota en keren langzaam terug naar huis langs dezelfde weg waarlangs ze gekomen waren.

Mijn route is afgeboord met heerlijk geurende bloemetjes: er staan er heel wat, en de geur vergezelt mij dus over een hele afstand. Ik rij dan wel sneller dan de Harley’s, maar ook dát is niet snel, en ik word even verder zelf voorbijgestoken door een koppel Engelsen op zware GSsen. Die rijden dan al weer heel wat sneller dan ik. Binnen enkele maanden zal ik zelf ook wel wat vlotter over dergelijke wegen zoeven. Ik kom de Engelsen weer tegen in Boundary, een soort spookstadje net vóór de Canadese grens waar heel wat bezienswaardige of leuke junk achtergelaten werd. We nemen wat fotootjes van elkaar. Ze zetten hun weg weer verder en ik haal mijn picknick uit: een lekker notenbroodje met rozijnen. Die Amerikaanse bakkers kunnen er dan toch wat van als ze willen. Hier bevind ik mij op de ‘Top of the World Highway’. Heel mooi gelegen, boven de boomgrens, op een hoogte van ongeveer duizend meter, met enorme vergezichten, én, het gevoel dat de wereld oneindig is.

 

 

In Little Gold Creek maak ik halt aan de grensovergang met Canada.

 

 

De Harley's bevinden zich net voor mij. Ik neem een foto van mijn moto aan de grenspost, en vervolgens een van de Harley's, met hun lachende berijders erbij. Een bevallige vrouwelijke douanier komt naar mij en berispt mij streng. Ik mag geen foto's van die mensen maken zonder hun uitdrukkelijke toestemming. Dat wil zeggen: via een aangetekend schrijven minimum twee weken op voorhand, zodat die mensen een gewogen beslissing kunnen nemen. Lachende gezichten en zwaaien volstaan niet als blijk van instemming! Ik buig ootmoedig het hoofd en beloof dat ik het nooit meer zal doen. Misschien vond ze haar eigen houding wel wat te streng, want de rest van de formaliteiten verlopen vlot en vriendelijk, en ik krijg een veilige trip toegewenst.

Ik rij Canada binnen en bevind mij in de Yucon Territories, een enorm gebied dat zo dun bevolkt is dat het geen aparte provincie is, maar wel een eigen statuut heeft.

 

 

The Top of the World is een hele lange top, maar niet vervelend, heel erg welriekend, en zelfs kleurrijk als je niet te ver opzij kijkt. Ook deze weg is onverhard, maar goed onderhouden en mooi vlak. Net voor Dawson City sla ik links af en rij eerst doorheen een uitgestrekte soort camping voor RV´s, midden tussen de bomen. Ik ga het Paddle Wheel Graveyard bezoeken: een kerkhof voor afgedankte sternwheelers (tandradboten zoals vroeger ook op de Mississippi voeren). Het vergt nog een behoorlijke wandeling langsheen de Yukon, en algauw zweet ik mij te pletter onder mijn motorpak. De enorme skeletten van de boten liggen als walviskadavers een eind op de oever, en ik vraag mij dan ook af hoe die hier terecht gekomen zijn, anders dan bij een enorme hoogstand van de rivier. Op het water nadert een kleine moderne sternwheeler, volgeladen met toeristen, gevangen op de boot als apen in een kooi. Ikzelf begeef mij tussen de enorme wrakken, geen mooi schouwspel, maar toch indrukwekkend bedenkend dat deze mastodonten in vroeger tijden deze rivier en tegelijkertijd de enorme afstanden op een comfortabele manier overheersten.

Dan weer te voet terug, de motor op, en dan aanschuiven aan de oever van de Yukon, wachtend op het veerpontje dat net aan de overzijde weer vertrokken is in mijn richting. Het gratis pontje brengt mij snel naar Dawson City aan de overzijde van de Yukon.

 

 

Ik vind heel vlot het Downtown Hotel, gezien het pal centraal gelegen is, en omdat de motoren van mijn reisgenoten voor de ingang geparkeerd staan. Ik laad uit, en terwijl ik bezig ben hoor ik achter mij een ander Transalpje naderen, goed herkenbaar aan het zeer typische motorgeluid. Ik draai mij om en zie dat het geen Transalp is, maar een gloednieuwe African Twin. Ik had reeds vernomen dat aan het motorgeluid van die nieuwe motor stevig gewerkt was, maar sta toch verbaasd over de zó grote gelijkenis, hoewel de constructie van de motor zó verschillend is. Ik sla even een praatje met de eigenaar, tot zijn vriendin hem met ongeduldig draaiende ogen van mij weghaalt. Ik maak dan voort, installeer mij in mijn kamer, en werk snel de blog bij van gisteren.

We gaan eten bij Kate's. Lekkere salade met noten, kaas en nog van alles, gevolgd door appelpaai met een bolletje vanille ijs.

Ik ga dan nog even wandelen door Dawson City. Het nieuwe lokale kerkje in oude stijl trekt mijn aandacht, en ik breng er een kort bezoekje aan. Er zijn vele oude gebouwen, al dan niet gerestaureerd. Het stadje is uitermate geschikt als filmdecor. Aan de Yukon is een Sternwheeler op het droge opgezet zoals BOU-8 in Boekhoute. Als afsluiter ga ik nog wat Canadese dollars tanken.

 

 

Een wulpse dame zwaait mij uitnodigend toe van achter het gordijn op het eerste verdiep van een louche etablissement, maar ik laat mij niet verleiden.

Om 11u kruip ik onder de wol. Mijn dag was mooi, en compleet gevuld, en zonder panne ditmaal.

 

Dag 5 (maandag 14 augustus 2017):

Dawson City CAN > Whitehorse CAN - 535km(1420) 9u

Overnachten in Whitehorse Best Value Inn

Zes uur. Er wordt mooi weer voorspeld. Het vullen van de koffers gaat weer moeizaam, en ik besluit mijn grote plunjezaak in gebruik te nemen, en deze dan achter mij op de duozit te binden. Ik herschik mijn spullen in de grote zak en werk vervolgens mijn blog bij. Nu ben ik weer min of meer up to date. Ik ga mij opfrissen en de motor laden.

 

Om half acht ben ik de motor reeds aan het optuigen, maar zie van de anderen geen beweging. Plots komt Dafne: ze zijn allemaal reeds aan het ontbijten in de ontbijtzaal aan de overzijde. Het ontbijt was voorzien om kwart na zeven, in plaats van halfacht zoals aan mij verteld was.

 

 

Uiteindelijk ben ik dank zij alle voorbereidingen nog het eerst klaar met ontbijt en motolading, en ga even tanken. We vertrekken dan samen voor de rit naar Whitehorse. Er wordt mooi weer voorspeld, maar het is toch fris.

 

Dafne maakt een fotootje net buiten Dawson City van het bord waar zij voor zoveel jaar (20?) ooit iets schilderde: 'Globetrotters Welcome'. Het bord staat er nog steeds !! Ik rij er voorbij, maar algauw steekt zij mij weer snel voorbij, en even later rij ik weer alleen. Ik passeer de ruïnes van gouddelfinstallaties van weleer.

In Moose Creek kom ik Dafne, Rob en Joke tegen, die zich wat gaan opwarmen waren aan een warme drank.

 

 

Het blijft fris de ganse dag... De rit is minder mooi dan gisteren, maar in Pelly Crossing breng ik een interessant bezoek aan het Selkirk Native Heritage Center. Dit is ondergebracht in het Big Jonathan House. Het is er warm binnen. Dat verjaagt de kou uit mijn lijf. De inhoud is zeer boeiend. Ik sla een praatje met de jonge vrouw die het zaakje runt. Al die Native Amercican’s behoren dan wel tot verschillende stammen en verschillende clan's, maar binnen die stammen en clan’s heb je altijd 'wolves' en 'crows'. Je bent 'crow' als je moeder 'crow' was, en je moet altijd huwen met een andere soort. Dit is dus een soort matriarchaat, waarbij je als man altijd kinderen zult hebben van de andere soort. De vrouw achter de balie roept er haar dochtertje bij en zegt: mijn dochtertje is 'wolve', net zoals ik, en net zoals mijn moeder.

 

 

Het is ondertussen twaalf uur, en ik neem mijn picknick in de koude buitenlucht op een overdekt terras met tafel naast het Visitor Center.

 

Aan een brug kom ik Fons, Hans, Leo, en Bert tegen, die in tegenovergestelde richting rijden. Zij zijn even teruggekeerd over de brug voor een gezamenlijke fotoshoot aan de brug.

 

Het blijft koud, en het gaat zelfs even heel hard regenen. Het landschap wordt geleidelijk mooier en meer afwisselend. Heel leuk zijn de metalen brugconstructies waar je telkens over moet. Aan Five Finger Rapids blijf ik wat hangen. Een grote oranje bus van de Holland America Line stroomt leeg, en de parking wordt overspoeld.

 

 

Een wat oudere Amerikaan komt een motorpraatje slaan en vertelt over de reeks Honda's die hij ooit had. Hij startte met V-twin Shadows, telkens wat zwaarder, en eindigde met Goldwings. Een Colombiaan met een grote witte Toyota 4X4 klampt mij ook aan en vertelt dat hij volgend jaar met zijn Amerikaanse vrouw voor geruime tijd naar Vuurland vertrekt met die Toyota. Hij is fervent paraglider en vervoert zijn installatie op het dak van zijn voertuig, samen met een soort ten die helemaal openvouwt. We wisselen elkaar het adres van onze blogs uit.

 

 

Ik kom uiteindelijk behouden en zonder motorhaperingen toe in Whitehorse omstreeks halfzes. Net op dat moment begint het te stortregenen. Oef ! Net op tijd binnen ! Het hotelletje is karakterloos maar net en comfortabel.

 

Ik ga met Rob en Joke even verder op de hoofdweg eten bij de Vietnamees. Lekker en goedkoop. We maken dan nog een wandeling langs de Yukon: een brede rivier die met enorme snelheid kolkt doorheen haar ondiepe bedding. Val dáár maar niet in! Enkele oude locomotieven herinneren ons aan een roemrucht verleden toen spoorweg en rivier de enige snelle verbinding vormden met de rest van de wereld.

 

 

Het stadscentrum van Whitehorse stelt niet veel voor, maar is heel netjes. Dan terug naar het hotel en algauw onder de wol, want het is ondertussen 22u geworden.

 

Dag 6 (dinsdag 15 augustus 2017):

Whitehorse > Dease Lake CAN - 700km(2120) – 11u

Overnachten in Dease Lake Northway Motor Inn

 

Vandaag een lange rit voor de boeg, misschien de langste van de hele reis.

 

 

We ontbijten in het restaurant van het hotel. De ruimte is op zijn Japans ingericht. Dit wil zeggen: er hangt een grote poster van de berg Fuji en dan nog een andere met een Japans tafereel.. Het dienstertje komt horen wat we willen, ze luistert aandachtig naar iedereen, maar zegt dan dat ze iets gaat halen om op te schrijven, zodat alles opnieuw kan beginnen. Dan duurt het nog zeker een half uur voor we kunnen ontbijten. Het ontbijt is afgemeten, deels lekker, deels niet. Ze zijn duidelijk niet gewoon dat hotelgasten in het hotel ontbijten.

 

Het is heel mooi weer, maar erg koud. De thermometer haalt met moeite zes graden en dat zal geruime tijd zo blijven. Ik ben nu optimaal gekleed en heb het zelf helemaal niet koud op de motor. Er volgt een mooie rustige weg door een prachtige natuur.

 

 

De meesten stoppen aan Johnson's Crossing om te tanken of te drinken, maar ik rij zelf nog even verder tot het Teslin Tlingit Heritage Center.

 

 

Dit is een mooi museum annex cultureel centrum waar ook nog oude ambachten uitgeoefend worden. Ik verneem nog heel wat meer over de geschiedenis en de sociale structuur van de oorspronkelijke bewoners. De Tlingit zijn een stam van oorspronkelijke bewoners. Ze hebben vijf clans: raaf, kikker, bever, wolf, en arend. De eerste drie behoren tot de soort 'crow', de laatste twee zijn 'wolf'. Je kunt onmogelijk binnen je eigen soort trouwen. De clans zijn echter niet gelijkwaardig, en te vergelijken met een kaste-systeem. Je mag dus ook niet onder je stand trouwen. Alles wordt mooi voorgesteld, maar het waren natuurlijk ook mensen, en ook die sociale structuur zal zijn problemen gekend hebben. Heden ten dage zijn er ook huwelijken met andere rassen, zelfs Euro-Amerikanen. Indien het nieuwe gezin respect heeft voor de oude cultuur, moet de vreemde partner dan eerst toetreden tot een aanvaardbare clan, zodat het huwelijk in overeenstemming met de culturele normen kan gebeuren.

 

 

Een opvallend iets is dat kunst en mooie creaties in het bereik lagen van de kleine man zelf, terwijl wij echt mooie kunstvoorwerpen eerder associëren met rijkdom. Het bezoek aan het museum is dan ook opnieuw een streling voor de zinnen.

 

 

Dafne is ondertussen ook komen aanzetten, als enige van de ganse groep. We bezoeken samen nog even de mooi versierde prauwen aan de oever van de Yukon, evenals enkele oude en gereconstrueerde kayaks in een schuurtje. Ik blijf hier geruime tijd hangen, krijg nog een koffie, en rij dan verder. Nog geen kilometer verderop is weer een museum. Hier zie je veel meer de lokale geschiedenis van Teslin, verzameld door ene George Johnston, die een oorspronkelijke bewoner was van begin vorige eeuw, hetgeen je niet uit zijn naam zou afleiden. George Johnston leefde 100 jaar terug, en was trapper, bonthandelaar, ondernemer, én een fervent amateurfotograaf. Dit museum is ook heel mooi en zorgvuldig opgezet, hoewel het er aan de buitenkant uitziet als een schuur, en ik daardoor even twijfelde of ik een bezoekje zou wagen.

 

 

Nu weer verder, want de weg is nog lang. Ik ga tanken, en koop brood en kaas. Ik neem ook even de tijd om mijn ketting te smeren. Ik picknick onderweg. Dan weer veel en verder oostwaarts rijden. Nu en dan krijgt mijn motor alweer kuren met de ontsteking. Ik verwijder een aantal keer het zadel om telkens eens aan de stekkers van de ontstekingsunits te lodderen, en kan dan telkens mijn weg verder zetten. Na zo een 400 kilometer met nu en dan wat gesukkel en vooral veel tijdverlies sla ik af naar het zuiden en neem de Cassiar Highway. Een bezoekje aan Watson Lake moet ik noodgedwongen laten schieten, anders riskeer ik niet vóór donker het hotel ten halen. Hier begint een gebied waar veel beren voorkomen, en ik huiver er voor om hier in panne te vallen. Het landschap wijzigt drastisch. Terug het soort bergtoendra welke ik in Alaska zag. Er zijn kleine prachtige meertjes, groen van het leven aan de oevers, in schel contrast met de schijnbaar dode bomen.

 

 

De laatste honderd kilometer begint het zacht te regenen. Ik trek de regenkledij aan, wat uiteindelijk toch niet hard nodig blijkt. Ik passeer door een hele lange kronkelende vallei tussen hoge dreigende bewolkte bergen. Op de weg liggen hier en daar grote drollen. Naar het schijnt houden beren ervan zich te ontlasten op het warmere asfalt.

 

Na twee dagen vlekkeloze werking vertoont mijn motor weer nu en dan ontstekingsproblemen, waardoor de motor op 1 cilinder draait, en ik niet sneller dan 80 kan. De motor verbruikt dan ook meer, omdat ook de niet werkende piston in beweging, en dus onder compressie moet gebracht worden. Ik moet dit eens grondig onderzoeken. Een paar keer lukte het mij niet om de motor weer normaal te doen werken, en draaide ik één van de bougies een beetje los, zodat de goed werkende cylinder een beetje minder moeite had de andere helft van de motor in beweging te houden. Gelukkig heeft de Transalp twee aparte ontstekingscircuits: één voor elke cilinder, en dan nog eens twee bougies per cilinder. Dit maakt deze motor dan ook zo betrouwbaar, en ben ik nog steeds in de running voor het bereiken van de eindmeet in Ushuaia.

 

Nu ben ik al blij de eindmeet van vandaag in Dease Lake te halen. Alle andere zijn reeds binnen. Ik neem mijn intrek in de Northway Motor Inn. Hier is niet veel te bezichtigen. Ik ga helemaal alleen wat spaghetti eten in het restaurantje tegenover het hotel terwijl het snel donker wordt. Toch ben ik erg tevreden van mijn zo mooi gevulde dag en ga dan slapen.

 

Dag 7 (woensdag 16 augustus 2017):

Dease Lake > Smithers – 600km(2720) 10u

Overnachting in Smithers Stork Nest Inn

 

Vandaag weer een lange rit naar Smithers.

Het is buiten nog redelijk donker als ik 's morgens wakker word. We zitten hier immers tussen de bergen, en het is bovendien goed aan het regenen. Niet het leukst om met de motor te gaan rijden, maar het creëert een aparte sfeer van desolaatheid die bijdraagt aan de reiservaring.

Dit hotel voorziet geen ontbijt. Ik zorg voor mezelf met wat brood, kaas en koffie, en vertrek om 8 uur terwijl de anderen nog gaan ontbijten in het cafeetje bij het benzinestation. Zo kan ik rustig rijden en mij door de anderen laten inhalen. Ik ga tanken en kom daar een oudere man tegen; hij zegt mij één en ander waarvan ik niets versta door de oordoppen die ik in mijn oren gepropt heb.

 

 

In deze streek komen de meeste elanden voor van gans Noord-Amerika. Ook hier is de kans het grootst om een beer te zien langs de kant van de weg. Ik zet aan in de gietende regen, die na een tijdje zachtjes vermindert. Het is slechts 8 graden, maar ik heb het niet koud. Plots zie ik in de greppel links van de weg twee bewegende donkerbruine ruggen, met de kop naar beneden. Waren dat nu beren, of waren het elanden? Ik ben alleen en neem geen risico door te stoppen of zelfs even terug te rijden. Ik ben er voorbij en zal het nooit weten. Deze streek was enkele jaren terug het toneel van uitgebreide bosbranden. Hierdoor kregen de struiken, ook de bessenstruiken, weer de kans om uitgebreid uit de grond te schieten. Beren houden van bessen…

 

Na 80 km ga ik reeds opnieuw tanken, want hierna volgt een traject van 250 km zonder tankstation. Ik zie hier dezelfde man als deze morgen, en hij spreekt mij weer aan. Nu hoor ik hem wel: hij heeft geen cash op zak en de kredietkaartautomaat werkt niet. Ik zelf betaal in cash, tank in de gietende regen, en kan dra weer verder.

Dit eerste deel van de route verloopt nog tussen de bergen in diep ingesneden valleien. Geleidelijk worden die breder en zie ik niets meer behalve eindeloze bossen aan weerskanten van de weg. Het wordt droger, en hier en daar kan ik toch mooie landschappen zien en op de gevoelige plaat vastleggen.

Wat verder halen Rob en Joke mij in, en we rijden samen verder tot aan de Bell 2 Crossing aan de Bell Irving River. Het is ondertussen bijna twaalf uur. We houden halt in de verzorgde Bell 2 Lodge. Daar komt net de groep Duitsers buiten die we in Anchorage ontmoetten bij het uitkratten van de motoren. We eten er een kleinigheid. Ik neem er een koffie en een cupcake, met weinig chocolade en een zweem van kaneel. Dat smaakt!

 

 

Ik zet algauw weer aan wanneer de rest van de bende binnen stuikt. Een half uurtje later halen Rob en Joke mij weer in en we gaan samen tanken aan de Meziadin Junction, waar een afslag is richting Canada en de zee. Rob heeft ook wat problemen met zijn kredietkaart, maar een vriendelijke Amerikaan op een Harley helpt hem verder. Het is een vijftiger die op reis is met een veel jongere vrouw achterop.

Rob en Joke stuiven weg. Ik zal ze niet meer weerzien vóór deze avond. Net voor Gitanyov steken ook de andere reisgenoten mij voorbij. Ik sla zelf af naar Gitanyov, een dorpje waar zich de grootste collectie totempalen bevindt van Noord-West British Colombia. Totempalen hebben geen religieuze betekenis, maar illustreren de voorgeschiedenis en status van de clan.

 

 

Het dorpje zelf is niet veel soeps en uitermate onverzorgd. Er is wel nog een mooi gemeenschapshuis? of school? of kerk? met twee kleine torens met kantelen er tegenaan gebouwd.

 

 

Het volgende dorpje Kitwanga is dan weer heel wat netter. Ook hier staan een reeks totempalen, evenals een mooi maar wat belabberd kerkje, en nog apart een heel oude klokkentoren uit de 19e eeuw.

 

 

Ik ontmoet hier een jonge Zwitserse motorrijder van 37 jaar op wereldreis met motor en tentje. Hij heeft al zijn hebben en houden verkocht, heeft vrouw noch kinderen, en wil niet meer terugkeren naar Zwitserland. Hij ontmoette reeds Dafne zonet, en ziet net de bende van Johan aankomen. Een luidruchtige bende Hollanders... De Zwitser laat zich onmiddellijk neerbuigend over de groep uit: ‘ un groupe de Donald Ducks’. Het zegt veel over deze jongeman, die al onmiddellijk kritiek uit over mensen die hij helemaal niet kent, en die ik zelf ondertussen heb leren kennen als heel aangename reisgenoten, wat in het verleden, bij andere motorreizen, niet altijd het geval was. Het wordt al snel duidelijk dat er maar één correcte manier van motorreizen is: de zijne. Ik verlaat de jonge motard met de bedenking dat hij nog wel zal leren hoe de wereld in elkaar zit. En misschien zal hij dan toch besluiten om terug te keren naar het land waar hij opgegroeid is?

 

 

In Hazelton bezoek ik even het 'Ksan Historic Village'. Een heel klein verzorgd Bokrijkje, met vijf grote gemeenschapshuizen, waarvan één dienst doet als museum. Dan weer de motor op langsheen mooi beschilderde huizen van het vroegere rode lantaarn district. Opvallend zijn de grote verzorgde scholen omringd door grote grasvelden. Aan ruimte is hier geen gebrek.

 

Vandaag toch alweer zonder motorpech goed aangekomen in het zonnige Smithers. Ik ga eten in het restaurantje rechtover het motel, en aan het tafeltje naast mij komt een Amerikaan, een vijftiger, met zijn jonge vriendin? of dochter? zitten. Ik zag dit koppel deze morgen aan het benzinestation net buiten Dease Lake.

Ik maak nog een wandeling in de omgeving. Een lokale radio is gehuisvest in een afgedankt spoorwegrijtuig.

 

 

Dan keer ik terug langsheen de brandweerkazerne, en zoek mijn nest op in de Stork Nest Inn.

 

Dag 8 (donderdag 17 augustus 2017):

Smithers > Tete Jaune – 510km(3470) – 10u

Overnachting in Tete Jaune Terracana Ranch Resort

 

Mooi weer vandaag. Dit hotelletje in Smithers mag er wel zijn. Alles is goed geregeld. Het ontbijt is verzorgd en uitgebreid, en er is lekker brood.

 

Ik zet als eerste aan en zal vermoedelijk als laatste deze avond binnenlopen. De route verloopt oostwaarts langsheen een drukke verkeersas. Al na 15 km heb ik een eerste stop voorzien, maar die is slechts van korte duur aangezien het Telkwa museum nog gesloten is. Het historische dorpje vind ik niet onmiddellijk, maar ik doe ook niet veel moeite, want ik heb nog een hele rit en veel andere bezienswaardigheden op het programma.

 

 

Er is hier wat landbouw en vooral veel veeteelt in de streek. Het hooi is al binnen en ligt in grote rollen op de weilanden, al dan niet ingepakt.

 

Net vóór Burns Lake word ik bijgehaald door Rob en Joke, en in het stadje stappen we samen af in een soort tearoom met echt Engelse uitstraling. Ook Dafne heeft onze motoren gezien en schuift aan. Hier in de streek is een Menonnietengemeenschap: ze zijn streng gelovig, zijn afkomstig uit Duitsland, dicht bij Nederland, en spreken nog een soort Diets.

Een theetje en een skone verder kunnen we weer de hort op. We bevinden ons hier in het merengebied, vandaar de vlakten en de ruimte voor veeteelt. In Fraser Lake bezoek ik het Visitor Center: een mooie blokhut constructie met zelfs een zolderverdieping. Quilten is hier een favoriet tijdverdrijf in de donkere wintermaanden, en ze kunnen er wat van. Ik neem wat foto’s voor mijn moeder, want quilten is ook háár favoriet tijdverdrijf. Fraser Lake is 'White Swan Capital'; je ziet hier daarom ook heel wat opgezette of afgebeelde witte zwanen.

 

 

Volgende stop is het Visitor Center in Vanderhoof. Binnenin is een klein mooi museumpje, met waarachtig zelfs een klein klasje van weleer.

 

 

Een enorme schedel van een grizzly kan mij ook wel boeien. Het Visitor Center bevindt zich in een klein net parkje en is omringd door 10 historische gebouwen van 100 jaar oud die ook apart te bezoeken zijn: o.a. een bank, een politiegebouw met cachot, een saloon, en een mooi landhuis van een welstellende burger. Dit piepkleine stadje heeft wel een enorme inspanning gemaakt om dit allemaal gratis aan de (voorbijtrekkende) man te brengen.

 

Terug op weg nu. In de verte hangt een blauw waas.

 

 

Een lichte brandgeur hangt over het nieuw gegoten asfalt. Maar vijftig kilometer verder is er geen nieuw asfalt meer en wordt de brandgeur steeds intenser. Er zijn in de streek van Kamloops en Vancouver  (in het zuidwesten) enorme bosbranden geweest, en die ruiken wij tot hier. Of die blauwachtige waas over de bergen met die branden te maken hebben weet ik niet. Ik stop onderweg voor een kleine picknick: brood, kaas en Cowa Cofa.

 

Prince George is een grote moderne stad met 75000 inwoners. Aangezien er mij nog 250 km rest af te leggen, sla ik een bezoek aan het Railway Museum over, en beperk mij tot een fotoshoot van de enorme oude metalen spoorbrug over de Fraser River. Door de rook in de verte is de overkant met moeite zichtbaar.

 

 

Kort voor het bereiken van de eindbestemming is de brandgeur verdwenen. Ik zie al voorbij rijdend Bert en Fons aan een superette in MacBride: ze zijn er druk bezig inkopen te doen voor de komende twee dagen.

Ik kom om 18u even na Rob en Joke aan in Terracana Ranch Resort. Dit bevindt zich wat afgelegen tussen Dunster en Tete Jaune Cache. We logeren in 'lodges': grote blokhutten, telkens opgedeeld in 4 ruime appartementen met kleine keuken, zitkamer en haardvuur. Hier verblijven we twee nachten.

Om 19 uur is de ganse groep binnen gesijpeld, en we vertrekken op de moto voor een gezamenlijk diner in een restaurantje aan een rivier. Het is even rijden, en ik moet buzze geven om de groep te kunnen bijhouden. We hadden niet voorzien dat we buiten op het terras zouden zitten, en hebben dus geen andere bescherming tegen de muggen meegebracht dan de motorkledij. Ik wil geen spelbederver zijn, en neem toch enigszins ontstemd plaats aan de terrastafel.

 

 

We bedienen ons aan een uitgebreid en lekker buffet, en dienen ondertussen zelf als buffet voor enkele hongerige muggen. De zaak wordt gerund door een Duitser, en het eten is verzorgd en degelijk. Na het lekkere toetje is het al volledig donker geworden. Ik monteer mijn zware LED-vérstraler op de motor. Het is de eerste maal dat ik deze gebruik. Het blijkt een uitstekende aankoop te zijn. Ik moet enkel nog de goede positie te vinden om de tegenligger niet te veel te verblinden, en zelf nog voldoende ver te zien. Gelukkig heb ik een schakelaar om hem snel aan en uit te zetten.

Ik ga onmiddellijk slapen.

 

Dag 9 (vrijdag 18 augustus 2017):

Rustdag in de buurt van Jasper

Overnachting in Tete Jaune Terracana Ranch Resort

 

Ik heb vannacht heerlijk geslapen tot 6 uur. Dit ondanks de jeuk aan mijn handen, waarop enkele blaren gevuld met een bloederig vocht. Ik heb dus onbewust gewreven en gekrabt. Nergens anders ter wereld leven muggen waarvoor ik meer allergisch ben. Twintig jaar terug was ik ook reeds eens hun slachtoffer in Blue River, op een (Canadese) steenworp hier vandaan.

Ik maak zelf mijn ontbijtje klaar met koffie, een croissant, en een paar toasten met erop wat gesmolten Cheddar kaas, en neem een jeukwerend middel.

Vandaag lekker 'niets doen'. Dus tijd om te bekomen van de lastige verplaatsingen van de afgelopen dagen, en voor de was, de plas en de droog, het motoronderhoud, en, natuurlijk... de blog!

Om zeven uur ga ik naar buiten. Het is droog en fris. Ik ontdoe de motor van zijkappen, zadel en benzinetank, en ga op zoek naar de mogelijke oorzaak van de ontstekingsproblemen.

 

 

De laatste dagen heeft de motor wel weer zonder ook maar enig probleem gedraaid, maar ik weet dat het euvel opnieuw kan opduiken. Ik bekijk het elektrisch schema van de Transalp en check één voor één alle contacten van het ontstekingscircuit. ik maak ze schoon en spuit er wat WD40 op. Ondertussen controleer ik ook nog eens bougies en motorolie. Alles lijkt mij in orde, en ik hoop dat ik vanaf nu geen prutsen meer heb onderweg.

 

Het is ondertussen 9 uur geworden. Hans en Johan gaan ontbijten bij de rest van de groep die in een andere chalet zitten. Ik ga hen achterna en drink een theetje terwijl de anderen smakelijk ontbijten buiten op de picknicktafel, met zicht op de bergen.

 

 

Rond tien uur begint het te druppelen, maar het blijft voorlopig nog beperkt.

 

 

Terwijl ik dit hier schrijf staat Bert geïnteresseerd over mijn schouder mee te lezen, met een kop lekkere koffie in zijn hand. Ik bevind mij in de lobby van het Terracana Ranch Resort. Op het tafeltje naast mij zijn Joke en Rob ook bezig aan het Macken, op een I-Pad en op een MacBook.

 

 

Onze gastvrouw heeft gezorgd voor een grote voorraad koffie en versnaperingen.

 

 

Ze vertelt dat er dit jaar bijzonder veel bosbranden geweest zijn: miljoenen hectaren zijn reeds in de vlammen opgegaan tussen Kamloops en Blue River, ongeveer honderd kilometer ten zuiden van hier, waar ik twintig jaar terug met Luc passeerde en bleef overnachten. De blauwe waas die rond de bergen hangt is wel degelijk rook, en blijft hangen omdat het niet genoeg waait.

 

 

We brengen de dag verder door al babbelend en al niksend. Ik lig zelfs eventjes een half uurtje wakker te soezen op mijn bed. Het is ondertussen beginnen regenen en waaien. De blauwe waas rond de bergen is verdwenen. Uiteindelijk schiet ik toch weer wat in gang, ruim op, en ga dan om halftwaalf slapen.

 

Dag 10 (zaterdag 19 augustus 2017):

Tete Jaune > Radium Hot Springs – 640km(3870) – 10u

Overnachting in Radium Hot Springs Radium Park Lodge.

 

Het heeft vannacht nog fel geregend, maar nu is het droog, en dat zal hopelijk zo blijven.

Ik ga al vroeg deze morgen naar de lobby omdat enkel dáár internet is, zodat ik kan whatsappen met Christien. Daarna samen met de groep buiten ontbijten op de picknicktafel. Fons laat op zich wachten. Hij is druk bezig zijn motor te laden. Bert wist de regen van de tafel af met een tot voor kort nog witte badhanddoek.

 

 

Stipt om 8u zet ik mijn Transalpje in gang en verlaat pruttelend het leuke resorthotel. Rob en Joke zijn al iets eerder weg, want ze willen nog even Jasper gaan bezoeken. Het wordt een koude rit deze voormiddag: eerst 8 graden, traag opklimmend tot 12 graden rond de middag. Maar het blijft droog en nu en dan zelfs zonnig. Vóór ik in Jasper aankom  gaart de weg doorheen het Mount Robson National Parc. De berg zelf zit op dit vroege uur nog verholen in dichte wolken.

 

 

Geen erg. Vanaf Jasper klaart de hemel deels op en onthult de majestueuze pieken van de Northern Rocky Mountains.

 

 

Icefields Parkway is een van de hoogtepunten van wat de natuur in Canada aan moois te bieden heeft. Er zijn heel wat ijsvelden of kleine gletsjers, maar het meest opvallende zijn de enorme ruige rotsachtige bergen waaraan geen einde komt. Dit zag ik nog nergens anders ter wereld. Ik som niet alle bezienswaardigheden op, want er zijn er zoveel dat ik er heel wat voorbij rijd.

 

 

Onderweg ontmoet ik enkele van de groep we picknicken samen met uitzicht op een enorme gletsjer.

Het Fairmont Hotel in Lake Louise (wat een mooie naam, he?) zou er zo één moeten zijn, maar ik moet er wegvluchten omwille van de enorme massa mensen en auto's die vandaag hetzelfde idee hadden als ik zelf. Even verder is de Deer Lodge, die er ook mag wezen.

 

 

Ik bezoek nog een halve kilometer verder het oude spoorwegstation, waarin nu een prachtig restaurant gehuisvest is. Hier staan slechts 3 auto's van geïnteresseerde lui. Lake Louise was honderd jaar terug bijna enkel vlot te bereiken via het spoor. Men heeft hier toen een heel groot stationsgebouw neergepoot in blokhutstijl. Enkele rijtuigen staan eenzaam en verlaten maar uitnodigend op de sporen.

 

 

Binnenin is het heel mooi gedecoreerd met talloze foto's van destijds, en prachtige grote haardplaatsen.

 

 

Er wordt hier wel veel volk verwacht, want de ganse enorme ruimte staat vol met tafels die reeds mooi gedekt staan. Als ik weer buiten kom is de parking echter leeg.

 

Ik ga tanken, en wordt aangesproken door meerdere mensen. Een eerste vraagt mij of mijn helm mij bevalt en of hij minder lawaai maakt dan de zijne. Daar kan ik hem in feite niet veel zinnigs op antwoorden en zeg hem dat de mijne mij bevalt, maar ik toch oordoppen draag. Hij bedankt mij vriendelijk en loopt weg... Een koppel met hun volwassen dochter spreekt mij dan aan en vraagt mij waar ik heen ga. Mijn antwoord bevalt hen zodanig dat ze achteruit deinzen onder het slaken van kleine kreten. De vader haalt zijn smartphone tevoorschijn en neemt een foto van zijn vrouw en dochter samen met mij en de moto. Neen! Dat is niet genoeg! Daar moet een video van gemaakt worden! Hij filmt eerst zichzelf met wat commentaar en ondervraagt mij vervolgens over mijn reis terwijl hij dit alles aan het filmen is. Hij is dit duidelijk gewoon. Vermoedelijk staat dit filmpje deze avond op Facebook of YouTube.

We verliezen een uur door het overschrijden van een nieuwe tijdzone, 1 uur dichter bij Watervliet: dus nog zeven uur tijdsverschil.

 

 

Het weer is ondertussen verbeterd, de zon laat zich steeds wat meer zien, maar de temperaturen blijven laag. Het is erg droog in de streek, en er is dus ernstig gevaar voor bosbranden. Een aantal jaren geleden moet het hier erg gebrand hebben, maar het is wonderbaarlijk hoe mooi de natuur zich herstelt. Jonge dennen schieten overal uit de grond en andere planten krijgen nu een kans om te groeien omdat meer licht doordringt tot de bodem. Bij de passage doorheen het Kootenay Park zijn alle ingangen afgesloten. In de verte zien we heel wat kleine rookpluimen. Er hangt weer een blauwe waas tussen de bergen en de rookgeur is ook weer duidelijk waarneembaar. Overal staan auto's van brandweer en parkwacht.

 

Pas bij het naderen van Radium Hot Springs, gaat het warmer worden, ruim boven de 20 graden, maar dan met een stevige frisse bries. Ik word verwelkomd door ruige bebaarde mannen.

 

 

Hier zijn we dus allen omstreeks 18 uur binnengelopen zonder akkefietjes onderweg. Als ik mijn dag mag samenvatten, zeg ik nu ook eens: "Waauw'.

Met Rob en Joke ga ik eten in Ristorante La Cabina.

 

 

We worden bediend door een vriendelijke jongen die gebrekkig Engels spreekt, en bovendien een klein spraakgebrekje heeft. We slagen er met het nodige geduld niet in het paswoord van de Wifi te weten te komen van hem, en moeten het dan nog eens vragen aan zijn collega. Ik sla een lekker slaatje en een kleine pizza naar binnen. Maar die kleinste pizza was toch weer te groot. Ik ga graag met Rob en Joke eten. Ze weten er toch altijd een leuk tentje uit te pikken.

 

Dag 11 (zondag 20 augustus 2017):

Radium Hotsprings CAN > Kalispell US – 350km(4320) – 7u

Overnachting in Kalispell Fairbridge Inn

 

Vandaag had ik nog wel een uurtje langer in bed willen blijven liggen, maar de blog roept. Als ik deze niet trouw aanvul, lukt het al gauw niet meer.

Ontbijten en opkrassen, en tussendoor een telefoontje van mijn jongste dochter Audrey, net 26 geworden.

 

Het is koud om aan te zetten: slecht 8 graden. Eerste doel is 'Kootenay House', een naam die bij mij toch meer verwachtingen schept dan ik uiteindelijk te zien krijg: een afgebakende wei met een tekeningetje van hoe het er hier 140 jaar terug moet uitgezien hebben. Onderweg zie ik echter wel mooie landschappen

 

 

Kenmerkend voor de reis tot nu toe is zeker de prettig gestoorde afval, zoals afgedankte auto’s en ander oud roest, die hier overal als uithangbord en zelfs als publiciteit aan de ingang van vele eigendommen staan.

 

 

De volgende etappe is het Windermere Valley Museum, dat op dit vroege zondagmorgen-uur nog gesloten is, maar toch redelijk goed van buitenaf te bezoeken is, want er zijn reconstructies van een aantal historische gebouwen.

 

 

De Fairmont Indian baths zijn dan wél een voltreffer. Het gebouwtje zelf met oude? originele? badkuipen in de grond ingewerkt is niet veel soeps. Het écht warme water, dat op deze koude ochtend over de rotsen heen loopt, en daar gedurende de laatste honderden jaren marmerachtige kalkafzettingen heeft achtergelaten, is dan wel een bijzondere ervaring om door je vingers te laten glijden.

 

 

De weg gaat verder zuidwaarts langsheen de Columbia River, die hier door haar kleine verval grote delen van de vallei onder water zet: de ‘Wetlands’.

 

 

Fort Steele is te vergelijken met Bokrijk, maar heel wat kleiner.

 

 

Leuk is wel dat er mensen aanwezig zijn die oude ambachten en het dagelijkse leven van toen weer even tot leven trachten te brengen.

Het zijn vaak studenten die hier een stuiver trachten bij te verdienen, zoals Louise, studente Geneesunde, die hier tegelijkertijd haar hobby, portretfotografie uitoefent.

 

 

Ook ouderen kunnen hier hun hobby uitoefenen, zoals het naaien van historische kledij, maar dan wel met moderne naaimachines. Mama, kijk je mee?

 

 

En nog een winkeltje zoals dat van de tantes uit Berchem:

 

 

Cranbrook bezoek ik maar heel even al rijdend. Het stadje heeft eerder weg van een meubelboulevard dan van een levende gemeenschap. Ik passeer langs het kleine treinmuseum waar wat locomotieven en wagons naast twee oude spoorwegstations staan.

 

De douane tussen Canada en de Verenigde Staten doe ik op een drafje. Eerst bij de Canadezen een stempel gaan halen om mijn motor uit te klaren. Dat duurt slechts 1 minuut. Ik zie onze groep in de verte staan. Maar tussen hen en mij staan nog tientallen auto's. Ik steek ze allemaal voorbij en vervoeg mijn reisgenoten. Twee uur aanschuiven gespaard! Dan is het snel aan mij. Maar... de douanier zag vermoedelijk al die Russische stempels in mijn paspoort, en ik moet eerst aan een grondige controle onderworpen worden. Ik moet daarvoor naar binnen, wordt vriendelijk ontvangen, maar moet verdorie wel drie minuten wachten vooraleer ik mijn paspoort terug krijg en ik kan verder rijden. (Bert is alweer over mijn schouder aan het meelezen terwijl ik dit schrijf. Ik heb er geen bezwaar tegen.)

 

Gerelateerde afbeelding

 

Mijn reisgenoten is het anders vergaan. Zij deden er allen meer dan twee uur over. Ik mag toch ook wel eens een meevaller hebben, hé?. Énnnn... de laatste in de rij profiteert natuurlijk ook van de routine die de beambten ondertussen opgedaan hebben.

 

We gaan bijna met zijn allen samen gaan lunchen op een terrasje even verderop. Ik ga daarna als eerste de weg weer op, omdat ik Eureka wil bezoeken.

 

Het weer is ondertussen prachtig, zij het nu en dan wat winderig. We hebben de eerstkomende week geen regen te verwachten op onze route.

 

In Eureka bezoek ik het Tobacco Valley Historical Village, met eerst een bezoek aan een ruimte waar oude spulletjes als in een winkel uitgestald staan.

 

 

Daar ontmoet ik de lieve Madelon, een dame die als vrijwilliger in het museum werkt. Zij is een gepensioneerde weduwe, opgegroeid in Nederland, maar hier gekomen door haar huwelijk met een Amerikaan, die kort geleden veel te vroeg overleed. Zij vertelt over het museum en over haar verblijf in deze dorpsgemeenschap. Ze geeft mij enkele goede tips voor mijn route van morgen, want er zijn onderweg wel problemen te verwachten door blokkades omwille van overmatige rookontwikkelingen in de buurt van de bosbranden. Zélf wil ze niet op de foto.

 

Ik bereik Kalispell zwetend maar zonder kleerscheuren. Nog even de ketting van de motor smeren, en dan op stap. Zoals van te voren gepland maak ik een mooie wandeling door het historische hart van Kalispell. Kalispell ontstond destijds rondom de spoorweg en het station. Daarvan merk ik niet veel, maar de architectuur is interessant, zowel het centrum als de oude woonwijk er rond. En de kerken ! Niet zozeer bezienswaardig, als wel verwonderlijk dat er hier zoveel soorten bestaan. De 'Freshlife Church' is er zo eentje van, met als inkom een cafetaria+winkeltje. Mijn interesse trekt de aandacht van een dertiger met zijn zoontje die net de deur van het zaakje opent. Hij geeft mij wat uitleg, maar kan mij toch niet overtuigen van de zuivere religieuze onbaatzuchtige achtergrond van gans dit zaakje. Welke kerk kan dat trouwens wél?

 

 

In de woonwijk staan kleine pareltjes van Amerikaanse historische architectuur.

 

 

Avondeten bij de Mexicaan rechtover het hotel. Ik vervoeg Leo en Ellie. Ze doen het relaas van hun wedervaren vandaag. Een kleine off-road excursie samen met Bert, Fons, Johan en Hans is niet goed afgelopen toen de weg doorheen een riviertje liep. Geen brokken of kleerscheuren, maar toch geen leuke ervaring, en beide hebben besloten het wat kalmer en voorzichtiger aan te doen. We besluiten om morgen samen naar Bozeman te rijden.